Inleiding op de dienst:
“Als haat de motor is van oorlog, dan is onverschilligheid de olie,” zei Alicja Gescinka in een interview.
Martin Niemöller was een van de weinige predikanten die zich uitsprak tegen Hitler. En tegen de onverschilligheid. Hij schreef:
“Toen de nazi’s de communisten arresteerden, heb ik gezwegen; ik was immers geen communist.
Toen ze de sociaaldemocraten gevangenzetten, heb ik gezwegen; ik was immers geen sociaaldemocraat.
Toen ze de vakbondsleden kwamen halen, heb ik niet geprotesteerd; ik was immers geen vakbondslid.
Toen ze de Joden opsloten, heb ik niet geprotesteerd; ik was immers geen Jood.
Toen ze mij kwamen halen, was er niemand meer, die nog protesteren kon.”
We kunnen zijn woorden actualiseren: toen ze de homo’s in elkaar sloegen heb ik gezwegen… Toen het Palestijnse volk werd uitgemoord, zei ik: “Het heeft niets met ons te doen.”
De dichteres Babs Gons schreef een boek met de titel: ‘doe het toch maar’.
Woorden tegen onverschilligheid, tegen moedeloosheid, ‘doe het toch maar’.
Woorden die we zo nodig hebben, die we steeds weer tegen onszelf en tegen elkaar moeten zeggen.
‘Doe het toch maar’… Opdat we volharden. Of misschien nog beter met een woord dat nog niet bestaat: opdat we volzachten…
Zingen Lied 330
1e Lezing: vrije bewerking van psalm 133 Karel Eykman
Dat was toen, daar.
Het was zo’n aardige zomeravond.
De zon had geen haast om onder te gaan.
Wij waren blijven hangen in de tuin.
De kinderen hoefden nog niet naar bed en speelden joelend verstoppertje met de hond in het hoge gras.
Er werd een fles opengetrokken en op de houten tafel gezet.
Annelies had de tafels versierd met bloemen.
Rita en Ko waren er en Nelleke met Nico.
Kleine Ezra maakte grapjes bij Mirte op schoot.
Avo kwam nog met hapjes aan.
Victor had zijn gitaar meegenomen, hij speelde Beatles en Jolanda wist de woorden. Het refrein neurieden we allemaal mee:
Het is alleen liefde die je nodig hebt.
Dat was toen, daar. Ik zag de mensen om mij heen op wie ik zo gesteld ben.
Mijn hart was gelukkig om ons bij elkaar in het zachte schemerlicht.
Dat was toen, daar.
Ik weet nog dat ik dacht: als het ergens is, is het hier, als het ooit is, is het nu.
Dit is de plek waar God zou willen wonen.
Van mij mag hij zo aanschuiven.
Hier geeft de Heer zijn zegen.
Zingen: Do not retreat into your private world (Ionabundel ‘Opstaan’)
2e Lezing: Bergrede, Matteus 5: 1-12
Zingen: Mens op aarde (t. Huub Oosterhuis/m. Henri Heuvelmans)
Overweging:
Lieve gemeente, mensen van God, bij afscheid nemen hoort terugkijken, dat gaat vanzelf.
Het is voor mij een terugzien in verwondering, dankbaarheid, ontroering.
Ik dacht terug, niet alleen aan het moment dat ik voor het eerst in Deventer een kansel beklom (1990) maar ook aan de periode daarvoor, hoe het zover gekomen is, wat me bezielde en wat me nog altijd bezielt.
Zoals velen wel weten ben ik opgegroeid in Noordscheschut, een dorp in Drenthe, in een gereformeerd arbeidersgezin.
Het geloof werd me met de paplepel ingegeven.
Gebed voor en na het eten, bijbellezing, kerkgang, gereformeerd onderwijs, gereformeerde jeugdclub.
Mijn zus Egberdien en ik voerden diepe gesprekken voor het slapen gaan.
En we speelden kerkje.
Als ik wel eens mijn verwondering uitsprak over het feit dat ik dominee ben geworden zeiden mijn zussen: “Het is helemaal niet gek want je had het altijd al over God.”
Ik vind het ergens wel gek want ‘ons soort mensen’ ging niet naar de universiteit. Werken in de zorg, zoals mijn drie ouderen zussen deden, lag meer voor de hand en dat ben ik dan ook gaan doen als psychiatrisch verpleegkundige.
Maar misschien hebben mijn zussen toch gelijk en is het niet vreemd dat ik de overstap heb gemaakt van ziekenhuis naar kerk; God, Jezus, Bijbel, leven, dood, oorlog, onrecht: de grote vragen hebben me altijd bezig gehouden.
De pasklare antwoorden die ik in de kerk kreeg bevredigden mij niet.
De zondeval door Adam en Eva en de verzoening door het bloed van Christus: dat was de kern van geloof zoals het werd verkondigd in de kerk van mijn jeugd en ik was het er niet mee eens.
Het was een raar soort ruilhandel: als ik maar recht in de leer ben krijg ik als beloning later een plaatsje in de hemel.
In mijn beleving klopte het niet, want er was sprake van dwang, van angst, maar hoe dan wel, wat dan wel??
Met de dogmatiek worstelde ik maar de bijbelse verhalen gaven ruimte, boeiden me mateloos en blijven dat doen en ik ben dankbaar dat ik ze van huis uit heb meegekregen.
Bij de doopsgezinden ontdekte ik de ruimte die ik zocht en in 1987 probeerde ik onder woorden te brengen wat ik geloofde. Huub Oosterhuis was een grote bron van inspiratie en ik begon mijn geloofsbelijdenis met een gedicht van Gerard Reve:
“Eigenlijk geloof ik niets, en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt zoals ik U.”
Als ik hiermee binnenkom bij de doopsgezinden, dan zit ik goed, dacht ik.
Ik was welkom.
Een paar jaar later werd ik voorganger in diezelfde gemeente.
Op 11 maart 1990 was mijn intrededienst in de Penninckshoek in Deventer.
Ik wilde heel graag, maar ik was ook heel onzeker.
Ik, met mijn achtergrond, MAVO, HAVO, nog bezig met de HBO opleiding theologie, nog lang geen echte dominee: wat denk je wel, dat al die deftige academici in de kerkbanken iets van jou kunnen opsteken?!
Die stem, die me naar beneden haalt, was er – en ik denk dat velen van ons die stem kennen – maar er was ook een zacht fluisterend stemmetje dat zei: “doe het toch maar”.
Dat stemmetje, hoe zacht ook, is het waard om naar te luisteren, om naar te handelen. Als je iets moet doen, doe het dan.
Ondanks alle onzekerheid was er zoveel in mij, dat ik graag wilde delen en dat ben ik toch maar gaan doen.
Eén commentaar na die allereerste preek zal ik nooit vergeten. Een gemeentelid zei tegen me: “Jannie, er komen nog meer zondagen.”
Dat was het begin. Het was alsof ik alles wilde delen waarover ik 30 jaar lang had nagedacht, waarover ik met Egberdien had gepraat, het moest er allemaal uit.
En nu, het afscheid. Niet dat er geen zondagen meer komen, ik ben nog niet ‘uit-gepreekt’, maar toch, het is het afscheid als herder en leraar van deze gemeente. En voor vandaag heb ik liederen en teksten gekozen die ik mooi vind, die me inspireren.
Ik wil graag iets zeggen over de lezingen.
Karel Eykman had het talent om een tekst die ver van je afstaat, te vertalen in een herkenbaar, menselijk tafereel. Een aardige zomeravond, mensen, klein en groot, komen bij elkaar, brengen iets mee.
En hun samenzijn wordt iets bijzonders, 1 en 1 wordt meer dan 2.
“Er is vandaag weer veel meer dan er is… maar wat het is, ik kan het je niet zeggen…”
We hebben vast allemaal wel eens zoiets meegemaakt; ‘even is het waar, en dan is het weg’.
Maar de herinnering koester je, blijft voor altijd in je hart.
Zoiets, mensen samen, die graag samen willen zijn, zichzelf inbrengen…
Dat er dan iets gebeurt, en dat kan overal zijn: op een (tuin)feest, tijdens een demonstratie…
Ik ervaar het vaak op zondagmorgen, als ik hier ben of op een andere plaats, in een andere kerk. Maar je hoeft er niet voor naar een kerk te gaan en je hoeft jezelf niet gelovig te noemen.
Want waar het om gaat is de liefde.
“Als de liefde maar blijft winnen…”
“All you need is love!”
“Ubi caritas.”
Waar liefde is, daar is iets wat ik God noem. Als je het anders wilt noemen omdat je niets met dat woord kunt: even goede vrienden of vriendinnen.
Want het gaat niet om gelovig of ongelovig zijn: het gaat om de liefde.
Het enige in de wereld dat groter wordt, meer wordt, wanneer je het deelt.
De enige remedie tegen het gif van de onverschilligheid!
En dan die bekende tekst uit Matteus, de zogenaamde Bergrede. Rabbi, leraar Jezus staat op de berg en ziet wat alleen van daar te zien is: toekomst, wijd licht land, waar gerechtigheid als rivieren stroomt.
Voor doopsgezinden is dit misschien wel de belangrijkste tekst in de Bijbel.
En daarom ben ik hier ook zo op mijn plaats.
Er zijn christenen die geloven dat Jezus op aarde is gekomen om te lijden en te sterven voor de zonden van de mensheid en dat met zijn dood alles voor eeuwig goed is gekomen, alle schuld vergeven.
Omdat Hij zijn leven heeft gegeven kunnen wij een luizenleventje leiden en wordt ons ook nog eens de hemel in het vooruitzicht gesteld.
Tenminste: als je het juiste geloof aanhangt, bij de juiste kerk bent aangesloten.
Deze manier van ‘gristen zijn’ staat haaks op wat ik geloof.
Ik geloof dat Jezus niet van ons vraagt om in hem te geloven, hem de hemel in te prijzen, maar om hem te volgen, hier met onze beide voeten op deze aarde, de enige die we hebben.
En als we Jezus volgen, dan staat ons geen luizenleventje te wachten maar zijn we geroepen om de luizen in pelzen te zijn. Luis in de pels van christenen die het christendom hebben ontdaan van alle radicaliteit en er een burgerlijk onschuldig tijdverdrijf van hebben gemaakt.
Luis in de pels van onverschillige regeerders, die meer hechten aan onze economische belangen dan mensenrechten.
Luis in de pels van oude kerels op hun tronen, die onze wereld naar de verdommenis helpen.
Jezus werd vermoord omdat hij luisterde naar die zachte stem: doe het toch maar… toen hij in doodsangst vroeg of deze beker hem voorbij mocht gaan.
Het ging niet. Niet als hij trouw wilde blijven aan zijn roeping om te getuigen van deze wereld anders.
Hij zegt niet tegen ons: “geloof in mij” maar “volg mij”.
Ook als ze je voor gek verklaren, ook als je alleen staat, ook als je op weerstand stuit of erger.
Zo gaat het immers met mensen die opkomen voor gerechtigheid, kijk maar naar de geschiedenis, kijk maar om je heen.
En toch, doe het toch maar… want zo ben je op de goede weg, en zul je ondanks alles geluk ervaren.
‘Doe het toch maar…’
Deze woorden, woorden tegen de onverschilligheid, alleen jij weet waartoe ze jou vandaag oproepen.
En alleen jij weet wat je nog tegenhoudt.
Maar doe het toch maar!
Zullen we het samen toch maar doen?
Amen!
“Als haat de motor is van oorlog,